IAN KERSHAW, DE AFDALING IN DE HEL en de EERSTE WERELDOORLOG

In  VIFF Flash, de driemaandelijkse nieuwsbrief van de Vrienden van het In Flanders Fields Museum, nummer 56 (februari-mei 2016) plaatste ik een boekbespreking van ‘De Afdaling in de Hel‘ van de Britse historicus Ian Kershaw. In dit boek behandelt hij de Eerste Wereldoorlog in de grotere context van de Europese geschiedenis van de eerste helft van de twintigste eeuw.

 

afdaling in de hel

 

 

 

 

 

 

 

De afdaling in de hel

 

De Britse historicus Ian Kershaw, een autoriteit over de Tweede Wereldoorlog, werkt aan een geschiedenis van Europa van 1914 tot heden. Het eerste deel verscheen in september 2015 als ‘To Hell and Back: Europe 1914-1949’. De Nederlandse vertaling kwam er in november 2015 onder de titel ‘De afdaling in de hel, Europa 1914-1949[1]. Het is interessant van de schrijver van de 2-delige Hitler-biografie, een referentiewerk, zijn visie over oorzaken, verloop en gevolgen van de Eerste Wereldoorlog te weten.

Dit vlot leesbaar boek heeft de voor Kershaw gebruikelijke mix van feiten en duiding bij deze feiten. Zeer diverse aspecten uit deze turbulente periode komen aan bod. De auteur waakt er over de militaire handelingen slechts summier te behandelen, hoewel oorlog spijtig genoeg alom tegenwoordig was in die periode van de Europese geschiedenis. Eerst enkele losse vaststellingen over hoe Kershaw op die periode terugkijkt. Stalin komt als massamoordenaar minder uit de verf dan Hitler. Hoewel hij het aantal doden door de gevolgen van de gedwongen collectivisatie begin jaren dertig in de USSR op 6 miljoen schat (p. 200) en de genocide op de Joden door Hitler op 5,5 miljoen. (Hiermee is nog maar van elk hun grootste numerieke misdaad gegeven). Voorts vermindert hij enigszins de verantwoordelijkheid van Stalin door veel schuld te leggen bij het communistisch systeem op zich. ‘De belangrijkste kenmerken van het bolsjewistische bewind hadden zich al ontwikkeld toen Lenin nog leefde. Wat daarna volgde was een logische consequentie en geen aberratie‘ (p. 141). Voor Hitler komt hij nergens met verzachtende ‘systeem’ omstandigheden. Volgens Kershaw eindigde de joden vervolging niet onmiddellijk bij de instorting van nazi-Duitsland maar ging in Oost-Europa nog enkele jaren verder. Ook staat hij iets positiever tegenover paus Pius XII dan veel andere historici. De passiviteit van deze paus over het lot van de Joden is gelijk aan zijn passiviteit over het lot van de (zeer katholieke) Polen. Hij  was overtuigd dat elke interventie van hem de situatie van deze vervolgde groepen nog zou verslechterd hebben (p. 501-502).

Kershaw kan toch niet verbergen dat hij een Britse historicus is. Hij besteedt meer aandacht aan de Slag aan de Somme in 1916 dan aan de langere en dodelijkere Slag bij Verdun in hetzelfde jaar (p. 74-75). Veldmaarschalk Douglas Haig wordt in enkele zinnen in de vernieling geschreven (p. 78-79) hoewel er in de periode 1914-1945 wel meer generaals niet spaarzamer met hun soldaten omsprongen. De Tweede Wereldoorlog wordt uitgebreider behandeld dan de Eerste. Zo heeft hij het over de positie van de neutrale landen in de Tweede Wereldoorlog, zowel Zwitserland als Zweden waren de facto in de Duitse oorlogseconomie ingeschakeld, maar heeft hij het niet over deze groep landen in de voorgaande oorlog. Hielp de Nederlandse economie toen ook Duitsland?

De kern van elke studie die de eerste helft van de twintigste eeuw behandelt, ook dit boek, is het verband tussen de beide wereldoorlogen. De Tweede Wereldoorlog ‘vormde de ultieme botsing van alle ideologische, politieke, economische en militaire krachten die zich tijdens de eerste oorlog hadden uitgekristalliseerd en zo de instabiliteit en de spanningen hadden veroorzaakt die het continent daarna nog 20 jaar in hun greep hadden gehouden. (…) Met de Tweede Wereldoorlog kwam er een einde aan het Europa dat een erfenis was van de Eerste‘ (p. 399) Maar Kershaw ziet dit verband niet als fataal. Het zijn de economische rampen in de jaren twintig en dertig die de link vormen. Daarom ook besteedt hij aandacht aan de economische en financiële aspecten, duidelijk toch zijn sterkste punt niet. De oorzaak van zowel economische rampspoed als de ontspoorde politieke situatie in veel landen in het interbellum is in zijn visie de gebrekkige vredesregeling in 1919. Hij stelt ook duidelijk dat het Duitse leger tegen oktober 1918 militair volledig verslagen was, alleen bleef de propaganda aan het thuisfront dit verzwijgen. Er was zeker geen dolkstoot van het thuisfront (p. 84-85).

Bepaling van de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog is voor Kershaw een uitbreiding van zijn gebruikelijk studieterrein. Het is daarom interessant te zien hoe hij hier tegenover staat. Vooreerst stelt hij dat het uitbreken van de oorlog in 1914 geen ongelukje was. ‘Toen het erop aankwam was de bereidheid oorlog te voeren veel sterker dan het verlangen naar vrede‘ (p. 43). De oorlog was ook niet zinloos. In 1914 was iedereen wel bereid om iets waardevols te verdedigen (p. 63). Hoewel hij eerst ook het Franse aanmoedigen van een oorlogszuchtige Russische houding en de onduidelijke Britse signalen laakt, volgt dan: ‘Het leeuwendeel van de verantwoordelijkheid ligt bij die machten die met hun onverenigbare belangen en ambities het meest bereid waren een algemene Europese oorlog te riskeren en die er in hun crisisdiplomatie niet voor terugdeinsden om te dreigen met hun militaire macht. Toen in juli 1914 het breekpunt werd bereikt, waren Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Rusland de beslissende krachten in de crisis. Duitsland speelde uiteindelijk de belangrijkste rol’ (p. 43). Duitsland was bereid een totale Europese oorlog te riskeren door het geven van onvoorwaardelijke steun aan Oostenrijk-Hongarije op 6 juli 1914, de zogenaamde ‘blanco cheque’ (p. 44). ‘De Duitse regering had zich geheel laten leiden door haar eerdere ernstige inschattingsfout – dat ze Oostenrijk de vrije hand had gegeven om de Servische crisis af te handelen – waardoor ze zelf het risico op een Europees conflict had vergroot. Die enorme fout betekende dat Duitsland in juli weinig meer kon doen dan reageren op ontwikkelingen die door anderen in gang waren gezet – en die nu snel oncontroleerbare vormen begonnen aan te nemen‘ (p. 52).

 

Anders dan vrijwel elke hedendaagse auteur over (de oorzaken van) de Eerste Wereldoorlog noemt hij Fritz Fischer en zijn controversieel boek ‘Griff nach der Weltmacht’ uit 1961 niet. En neemt dus ook geen standpunt in over de vraag of Duitsland in 1914 doelbewust de oorlog ontketende om de wereldhegemonie te veroveren. (Fischer staat wel vermeld in de bibliografie). Toch geeft hij een voorzichtig geformuleerde pro-Fischer mening: ‘De Duitse ambitie om een wereldmacht te worden – en zelfs de belangrijkste wereldmacht, had gedeeltelijk een rol gespeeld bij de explosie van 1914‘ (p. 585). Een andere denkpiste, eigen aan een vergelijking van de ontstaansgeschiedenis van beide wereldoorlogen, laat hij onaangeroerd. In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog heeft hij vanzelfsprekend voldoende aandacht voor de conferentie van München in september 1938. Om toch maar de lieve vrede te bewaren, offerden het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk hun bondgenoot Tsjechoslowakije, toen de enige democratie in Midden-Europa, op aan Hitlers ambities. Kershaw had zich de vraag kunnen gesteld hebben hoe de geschiedenis zou verlopen zijn, had zich er zich voor of in 1914 een gelijkaardig ‘appeasement’ voorgedaan. Had één van de entente-mogendheden in 1914 op een ‘Münchenachtige’ manier toegegeven aan de agressie van de centrale mogendheden? Twee mogelijke onderwerpen die Christopher Clark in zijn ‘Slaapwandelaars’ zeer uitdrukkelijk aanhaalt, en waardoor hij heel veel verantwoordelijkheid voor de Eerste Wereldoorlog wegneemt bij Duitsland, zijn het onblusbare Franse revanchisme om Elzas-Lotharingen, en het ongeoorloofde gedrag van Servië tegenover Oostenrijk-Hongarije. Had Frankrijk net voor 1914 definitief en vooral emotioneel moeten afzien van haar aanspraken op het in 1871 verloren Elzas-Lotharingen? Had Rusland in 1914 Servië moeten laten vallen toen Oostenrijk-Hongarije haar bestraffing op dat land liet neerkomen? Kershaw behandelt deze vragen niet, laat daar geen misverstand over zijn. Maar op p. 57 staat dan opeens wel volgende bedenking rond de julicrisis van 1914: ‘een nadrukkelijke Britse neutraliteitsverklaring, waar de Duitsers op hoopten (maar die ze niet werkelijk verwachtten), had zelf in deze late fase nog een oorlog kunnen voorkomen’. Alle nadere uitleg hierover ontbreekt, zodat het gissen is wat hij hiermee kan bedoelen. Meent Kershaw dat als het Verenigd Koninkrijk in 1914 de democratie België had laten vallen zoals het in 1938 de democratie Tsjechoslowakije liet vallen, de oorlog had vermeden kunnen worden?

[1] KERSHAW, Ian,  De afdaling in de hel, Europa 1914-1949,  Spectrum, Houten – Antwerpen, 2015, 639 blz

 

 

 artikel van Johan Gheeraert verschenen in VIFF flash feb-mei 2016 (p.38-40)

Deel op