Christopher Clark, Slaapwandelaars, revanche en Otto von Bismarck

 

slaapwandelaarsboek bismarckOnderstaand artikel verscheen in SHRAPNEL, het tijdschrift van The Western Front Association België, van het tweede kwartaal 2016.

 

Begin 2014 las ik ‘Slaapwandelaars, hoe Europa in 1914 ten oorlog trok’[1]. Een overweldigend boek dat met een overvloed aan feiten veel zekerheden over de oorzaken en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ter discussie stelt. Servië, Frankrijk en Rusland worden afgeschilderd als agressieve oorlogsstokers, het Verenigd Koninkrijk en Oostenrijk-Hongarije als eerder defensief ingestelde oorlogsstokers en Duitsland als het land dat dit alles fatalistisch onderging. Over één zinnetje uit 650 bladzijden tekst had ik enige twijfel: ‘de annexatie van Elzas-Lotharingen – sterk aanbevolen door de Duitse legerleiding en aarzelend aanvaard door kanselier Otto von Bismarck (…)’. Bismarck als ondergeschikte van generaals botste met alles wat ik over deze man wist. Recent heb ik de Bismarck biografie van Ger van Aalst gelezen[2]. Het gaf inderdaad een aanknopingspunt over Bismarcks motieven voor de annexatie van Elzas-Lotharingen. Voor ik hier veel mee kon beginnen, drong een tweede lezing van ‘Slaapwandelaars’ zich op. Dit artikel geeft eerst een bespreking van ‘Slaapwandelaars’ waarna de motieven voor de annexatie van Elzas-Lotharingen meer in detail bekeken worden.

Slaapwandelaars, een kritische tweede lezing

Voor een goed begrip van de verdere Europese geschiedenis, en om te leren uit eerdere fouten, is een begrip van hoe de Eerste Wereldoorlog uitbrak belangrijk. Clark veroordeelt het zoeken naar verantwoordelijken, of het meer beladen woord schuldigen, omdat deze zoektochten ervan uitgaan dat in ‘conflictueuze interactie één partij gelijk heeft en een andere ongelijk‘ en dat ze ‘het gezichtsveld vernauwen door in te zoomen op de politieke stemming en initiatieven van één specifieke staat en niet op de multilaterale interactieprocessen. Ook kweekt de zoektocht naar de schuld bij de onderzoeker de neiging om de acties van de beleidsmakers op te vatten als doelbewust en gedreven door een samenhangende intentie.’[3] Vanaf de publicatie in 2012 zorgde ‘Slaapwandelaars‘ voor ophef precies omdat het de ‘usual suspect’ het Duitse keizerrijk grotendeels vrijpleit. Hoe gefundeerd is Clarks analyse? Hier volgt een kritische doorlichting.

Zo vlot Clark over de annexatie van Elzas-Lotharingen en haar gevolgen heen stapt (zie verder), zo zwaar tilt hij aan het Servische irredentisme of extreem grensoverschrijdend nationalisme. Het boek opent met te beschrijven welk dubieus land Servië was en hoe gevaarlijk het Servisch nationalisme. Dan volgen de moeilijke relaties van Oostenrijk-Hongarije met haar buurlanden, Servië op de eerste plaats. Bismarck heeft het eerste deel van dit boek lang voor Clark al kernachtig samengevat: de Balkan is het kruitvat van Europa. Hoofdstuk 5 beschrijft omstandig de verwikkelingen die tot de twee Balkanoorlogen geleid hebben en deze oorlogen zelf. Clark verhaalt hoe de zeer betrokken mogendheden Rusland en Oostenrijk-Hongarije met de spanningen op de Balkan omgingen en hoe Frankrijk zich altijd meer bij deze spanningen engageerde. Clark benadrukt dermate Frankrijks betrokkenheid bij de Servische agitatie dat de activering van het Schlieffen-plan door Duitsland begin augustus 2014 irrelevant lijkt voor Frankrijks deelname aan de oorlog.

Volgens Clark was de oorlog vermijdbaar geweest. ‘Het systeem moest nog altijd van buitenaf tot ontbranding worden gebracht, via de boobytrap die Rusland en Frankrijk aan de Servische grens hadden geïnstalleerd[4]. De Servische regering was verantwoordelijk voor het niet beheersen van de irredentistische beweging en haar betrokkenheid bij de moordaanslag op kroonprins Franz Ferdinand is vaststaand[5]. Wenen kon bij het opstellen van het ultimatum aan Servië wel geen bewijs geven hiervan, maar altijd volgens Clark heeft het slecht gevoerde politieonderzoek veel van de Servische betrokkenheid niet ontdekt. Hij weerlegt de gebruikelijke mening dat het politieonderzoek niet grondig werd gevoerd omdat Wenen wist dat er toch geen onbetwistbaar bewijs was. Uit de vaststelling dat Servië als land schuldig is aan de moord op Franz Ferdinand, volgt logisch de omkering van de gebruikelijke opvolging der verantwoordelijkheden en wordt het begrijpbaar waarom de focus in dit boek soms zo afwijkend is van het gebruikelijke.

Velen beschouwen het overleg tussen de Duitse leiding en enkele Oostenrijks-Hongaarse diplomaten op 5 en 6 juli 1914 te Berlijn als het cruciale punt in de julicrisis. Toen verleende Duitsland alle steun aan Oostenrijk-Hongarije voor een zeer harde aanpak van Servië, de zogenoemde blanco-cheque. Voor Clark echter is dit Berlijns overleg minder belangrijk dan het overleg in Sint-Petersburg dat tot de Russische mobilisatie leidde na het Oostenrijks-Hongaars ultimatum aan Servië. Bij het verlenen van de blanco-cheque zoekt Clark slechts summier naar de Duitse motieven. De Duitse beslissing was enkel ingegeven door een ondersteuning van Oostenrijk-Hongarije tegen het Servische irredentisme. Hij erkent dat de Duitse onderschatting van de Russische steun aan Servië zwaar heeft doorgewogen in de Duitse besluitvorming. Dan volgt een merkwaardig argument. ‘De Duitse leiders beseften niet hoe weinig het de twee westerse machten kon schelen wie de aanstichter was van het geschil’[6]. Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, die zelf niet wisten van dit overleg, krijgen toch de schuld. Met dit soort argumenten ‘bewijst’ Clark de vredelievendheid van Duitsland. In de afsluitende conclusies suggereert Clark dat hij zich niet kan vinden in de stelling van Fritz Fischer dat Duitsland doelbewust op de oorlog heeft aangestuurd[7]. Of enkele bladzijden eerder zonder Fischer te vermelden: ‘Door hun steun voor Oostenrijk-Hongarije en hun onbekommerde vertrouwen in de haalbaarheid van indamming van het conflict, leverden ook de Duitse leiders hun bijdrage aan de zich ontvouwende crisis. Maar hun reacties op alle gebeurtenissen in de zomer van 1914 wekken geenszins de indruk dat zij de crisis beschouwden als een welkome gelegenheid om een lang gekoesterd plan van een preventieve oorlog tegen de buurlanden te ontketenen. Integendeel: het duurde opvallend lang voordat Zimmermann, Jagow en Bethmann doordrongen raakten van de volle omvang van de ramp die zich aan het voltrekken was.’[8] De behandeling van het Duits-Oostenrijks overleg leert dat niet alleen de Duitse leiders toen overtuigd waren van de rechtmatigheid van de Oostenrijks-Hongaarse aanpak van Servië, maar dat Clark hiervan nog altijd overtuigd is.

Heel anders is zijn beschrijving van de Russische reacties. ‘De Russische mobilisatie was een van de belangrijkste stappen in de hele julicrisis[9]. Clark beschrijft omstandig het verdoezelen van de Servische betrokkenheid bij de aanslag door de Entente mogendheden. ‘Binnen tien dagen hadden de Russen een naadloos tegenverhaal gefabriceerd over de gebeurtenissen in Sarajevo’[10]. De Russische mobilisatie (29 juli partieel tegen Oostenrijk-Hongarije, op 30 juli volledig tegen Oostenrijk-Hongarije en Duitsland) is in de ogen van Clark cruciaal. ‘Met deze stappen escaleerden Sazonov (Russische minister van buitenlandse zaken- jg) en zijn collega’s de crisis en verhoogden de kans op een algemene Europese oorlog in sterke mate[11]. Uit de context kan een niet zo onderlegd lezer nauwelijks afleiden dat dit een reactie was op de oorlogsverklaring van Oostenrijk-Hongarije aan Servië. Bij de verdere beschrijving van de Russische motieven voor deze mobilisatie, veel uitgebreider van voor de Duitse beslissing de ‘blanco-cheque’ te verlenen aan Oostenrijk-Hongarije, vermeldt hij behalve de verdediging van de Servische integriteit een hoop andere zaken als de algemene Russische Balkan politiek en de toegang tot de zeestraten.

Slaapwandelaars‘ heeft constant meer aandacht voor de in Clarks ogen agressieve acties en beweegredenen van Frankrijk en Rusland, dan voor die van Duitsland. Zo ook het laatste stuk van hoofdstuk 5[12] waarin de Franse acties rond het bondgenootschap met Rusland in de laatste jaren voor de oorlog worden gegeven. De doelbewuste Franse agressiviteit druipt van elke bladzijde. Het relaas over dezelfde periode net voor de oorlog aan Duitse zijde is veel milder geschreven[13]. Nu weten we allemaal dat de oorlogszuchtige uitlatingen van keizer Wilhelm II niet ernstig konden genomen worden. Clark stelt terecht dat de Duitse leiders dat toen al wisten. Maar wist de rest van de wereld dat toen al? De Duitse oorlogszucht alleen op de min of meer ontoerekeningsvatbare keizer af schuiven is een beetje kort door de bocht. Voor het overige was bijna alles in Duitsland defensief gedrag, een rechtvaardige verdediging tegen de omsingeling door agressieve buurlanden. Voorstanders van preventieve oorlogen om de eigen binnenlandse problemen op te lossen zoals de Oostenrijks-Hongaarse stafchef Conrad von Hötzendorf komen niet goed weg bij Clark, maar zijn Duitse collega von Moltke iets beter. Er zat enkel ‘een vleugje fatalisme in de strijdlustigheid van het Duitse leger’[14].

Elk onderzoek naar de verwikkelingen tussen de twee machtsblokken die tot de Eerste Wereldoorlog leidden, heeft de nodige aandacht voor de ietwat speciale situatie van het Verenigd Koninkrijk, dat enigszins een tussenpositie innam. Daarbij staat de onduidelijkheid en het geschipper van de Britse minister van Buitenlandse Zaken centraal. Ook bij Clark komt Grey er niet fraai uit, maar weer met een eigen argument: ‘Als Grey werkelijk een onpartijdige benadering had willen kiezen voor het nete-lige probleem van bemiddeling en regionale indamming van het conflict, had hij zich meer moeten verdiepen in de sterke en zwakke kanten van Oostenrijks aanklacht tegen Servië, en moeten voor-komen dat Rusland tegenmaatregelen nam die met zekerheid tot een breder conflict zouden leiden’[15].

De Duits vriendelijke sfeer creëert Clark ook door handige veralgemeningen. Hoofdstuk 4 behandeld de interne politieke werking van de Europese grootmachten[16]. In de inleiding wordt de macht van de monarchen, veelal keizers, beschreven. Macht die nog vrij absoluut was in Rusland, Oostenrijk-Hongarije en Duitsland. Volgt een beschrijving van wie echt de beslissingen nam in Sint-Petersburg, Parijs, Berlijn en Londen. Deze 4 detailbesprekingen verbergen een groot verschil. Voor Rusland en Duitsland gaat het om de gebrekkige werking van de democratische besluitvorming tout court, in het geval van Frankrijk en het VK enkel over de relatie tussen de (top)ambtenaren van Buitenlandse Zaken en hun regering. Clark verdoezelt dat in die beide laatste landen de ambtenaren wel werkten binnen een grondwettelijk vastgelegd kader van regeringswerk en parlementaire controle op dit regeringswerk. (Zo heeft hij ook veel aandacht voor het gekende probleem van de militaire afstemming tussen Frankrijk en UK zonder dat de hele regering in Londen hiervan op de hoogte was.) Clark beschouwt de 4 landen als gelijkaardig werkende structuren. Hij kan weinig anders dan Wilhelm II als een zwakke schertsfiguur neerzetten, anders zou hij zijn verhaal van Duitslands onschuld ondermijnen. Maar in 647 bladzijden vindt Clark geen lijn om Bismarck verantwoordelijk te stellen voor de grondwet die hij in 1871 aan het Duitse Keizerrijk gaf en die nog zoveel macht aan het toeval van de geboorte liet. Als Clark al toegeeft dat de democratieën efficiënter werken, is dit in bewoordingen die tegen hen werken. ‘In Parijs werkten de machtigste civiele en militaire functionarissen nauw samen om de uitgaven omhoog te krijgen voor een meer offensief gerichte strategie. In Duitsland werden de militaire en civiele commandoketens door zulke hoge institutionele en constitutionele barrières gescheiden dat dit soort synergie veel lastiger te bereiken was’[17]. Zelf de vaststelling dat de Duitse legerleiding een door niemand gecontroleerde instelling was, wordt tegelijkertijd erkend en gerelativeerd. ‘Een politiek systeem waarin het leger zijn eigen droom van absolute vernietiging kon najagen, ongehinderd door enige controle of bemoeienis door de burgerregering. Maar er zat wel een doordacht redenering achter die beperking van mogelijkheden: de steeds hechtere militaire samenwerking binnen de Frans-Russische Alliantie maakte een oorlog op één front praktisch ondenkbaar[18].

Clark stoffeert zijn stellingen met een overdaad aan feiten. Van enkele kan de vraag gesteld worden of ze wel juist zijn of de volledige waarheid dekken. Als motivatie voor de Duitse steun aan de Boeren in Zuidelijk Afrika vermeldt hij alleen de Duitse economische belangen in Transvaal[19]. Hij heeft het niet over de pan-germaanse gevoelens voor de ‘stamverwante’ Boeren. Toch weten we uit de Vlaamse en de Nederlandse geschiedenis dat het stamverwantschap toen zeer zwaar doorwoog. Het pan-germanisme ontbreekt ten andere volledig in dit boek dat het enigszins verwante Servische nationalisme zo centraal stelt.

Het hele boek is overvloedig voorzien van Fransonvriendelijke opmerkingen, veel als onnodige tussenzinnetjes als ‘(…) en het gestook van de Fransen (…)’[20]. Meer nog dan het Servisch nationalisme is het Franse revanchisme de rode draad door het hele boek. Van het begin tot het einde spannen de Franse politici en diplomaten zich in om een anti-Duitse coalitie te vormen, ze zo agressief mogelijk te maken, en een oorlog te organiseren met de mogelijkheden die de Balkan bood. Deze volgens Clark allerbelangrijkste drijfveer in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog had wel een beetje meer uitleg verdiend in dit volumineuze werk. Er wordt wel nog net vermeld dat het revanchisme uit de annexatie van Elzas-Lotharingen in 1871 volgde, annexatie ‘sterk aanbevolen door Duitse legerleiding en aarzelend aanvaard door Bismarck[21]. Het eventueel foutieve van deze annexatie wordt door Clark in de volgende zinnen al ontkracht. ‘(…) Maar ook als de annexatie niet had plaatsgevonden zou het loutere bestaan van het nieuwe Duitse Keizerrijk de onderlinge verhoudingen op scherp hebben gezet, want Frankrijk had zijn veiligheid van oudsher te danken aan de politieke versplintering van het Duitstalig Europa[22]. Los van de geschiedkundige correctheid van deze stelling – de deels Duitse Habsburgers waren in het verdere verleden een even grote bedreiging voor Frankrijk – is deze stelling later bewezen onjuist. De tweede Duitse eenmaking na de val van de Berlijnse Muur in 1989 heeft geleerd dat Frankrijk wel zijn veiligheid kan vinden in een verenigd Duitsland. Deze verwijzing naar de recente Europese geschiedenis mag gemaakt worden omdat Clark zo op twee plaatsen ook maakt waar het zijn argumentatie ten goede komt. Namelijk de nog hardere aanpak van Servië door de NAVO in maart 1999[23] en de aanpak van Syrië door de VN in oktober 2011[24].

 

Clark benadert het revanchisme eenzijdig. Revanchistische uitingen en drijfveren zijn in het hele boek aanwezig, maar dat Duitsland tot op het einde hielp het revanchisme warm te houden, blijft onvermeld. Een evenwichtig relaas over de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog kan toch niet voorbij aan het gekend en goed gedocumenteerd Zabern incident[25] uit 1913. Zelf al wilde Clark dit niet brengen als de Franse stelling dat na meer dan 40 jaar Duitsland Elzas-Lotharingen nog altijd militair bezette, hij kon de Duitse versie vermelden. In elke ernstig Duits geschiedenisboek wordt Zabern aangehaald als bewijs dat het Duitse keizerrijk geen volwaardige democratie was. Een grote meerderheid in de Rijksdag wilde de Elzassers wel als volwaardige Duitsers beschouwen, maar het leger, de keizer en dus ook de regering wilden het niet. Dus gebeurde het niet. Zabern, of Saverne, is de duidelijkste kritiek die op ‘Slaapwandelaars‘ kan gemaakt worden.

Bismarck en de annexatie van Elzas-Lotharingen.

Christopher Clark benadrukt terecht het Franse revanchisme als de grootste drijfveer die Duitslands vijanden verenigde en de focus op Duitsland bleef houden. De oorzaken en de mechanismen van dit voor Duitsland uiteindelijk desastreus gedrag verdienen meer aandacht dan de hoop en al 10 zinnen die de annexatie van Elzas-Lotharingen in ‘Slaapwandelaars‘ krijgt. Een beschrijving van de annexatie brengt onvermijdelijk de figuur van Otto von Bismarck op het voorplan. De aanloop naar de Eerste Wereldoorlog begint niet pas na Bismarck zoals Clark lijkt te suggereren, maar is al ingebakken in Bismarcks acties en realisaties. Er kleven aan Bismarcks eenmaking van Duitsland tussen 1866 en 1871 zeer grote constructiefouten, zowel in de binnenlandse als buitenlandse politiek van Duitsland. Constructiefouten die naar de ramp van 1914 leidden. Dit is geen detail want het huidig Europees eenwordingsproces is in veel opzichten een vrij nauwkeurige kopie van de Duitse eenmaking. Het is van groot belang de fouten die Bismarck maakte, deze keer niet te herhalen. Onderzoek maar de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog is nog altijd geen vrijblijvende oefening voor Europeanen in de 21ste eeuw.

De motivatie van Clark voor de annexatie is een motivatie ‘a contrario’. Zelf al had Bimarck in 1871 Elzas-Lotharingen niet afgenomen van Frankrijk, dan nog zou Duitsland geconfronteerd geweest zijn met een Frans revanchisme omdat het zich uit veiligheidsoverwegingen niet bij het feit van een eengemaakt Duitstalig Europa kon neerleggen. Uit deze, hierboven al weerlegde redenering, volgt logisch dat de legerleiding deze annexatie sterk aanbeval. Als het toch geen verschil uitmaakte, dan liever de barrière van de Vogezen in Duitse dan in Franse handen. Maar waarom heeft Bismarck, zij het aarzelend, zich aangesloten bij de mening van de Duitse generaals. Op deze vraag hoopte ik een antwoord te vinden in de Bismarck biografie van Ger van Aalst.

Van Aalst beschrijft ondermeer hoe de stijgende macht van de generaals een logisch uitvloeisel was van Bismarcks nagestreefde politiek. ‘De macht van de militairen was des te gevaarlijker omdat een parlementaire controle ontbrak. Bismarck zelf had de zeggingschap over de militaire uitgaven zoveel mogelijk voorbehouden aan de koning en dus aan de militairen zelf. De legerleiding beschouwde zich daardoor als autonoom en minstens gelijkwaardig met de politieke leiding. Dit alles bepaalde ook het militaristische karakter van het verenigde Duitsland in wording. (…) Bij het ontbreken van een politiek leider van het formaat van Bismarck zouden de militairen in zekere zin vrij spel krijgen’ [26]. Bismarck was voorstander van zeer grote beslissingskracht van de generaals. In zijn, achteraf bezien, desastreuze visie was alles beter dan macht van verkozen burgers. Van Aalst ziet de onenigheid vooral in de Pruisische leiding over het al dan niet voortzetten van de oorlog met Frankrijk na de nederlaag van de (toen nog keizerlijke) Franse legers bij Sedan op 1 september 1870. Bismarck wilde de oorlog snel beëindigen zoals hij in 1866 de oorlog tussen Pruisen en Oostenrijk na een even spectaculaire Pruisische overwinning bij Königgrätz snel had beëindigd. De vraag hoe de voorlopige Franse regering na de val van keizer Napoleon III hierover zou gedacht hebben, wordt niet gesteld. Behalve de generaals die de oorlog na Sedan wilden verder zetten, was een ‘een tweede factor die een snelle beëindiging van de Frans-Duitse oorlog belette de Duitse eis van annexatie van Elzas-Lotharingen. Vanaf het eerste stadium van de onderhandelingen had Bismarck, zij het met de nodige aarzelingen en mede onder druk van de militaire leiding, van Frankrijk Elzas-Lotharingen opgeëist[27]. Clark heeft gelijk met de aarzeling van Bismarck.

Merkwaardig is dat van Aalst over Bismarcks motieven voor de annexatie in de voorwaardelijke wijs schrijft, een van de schaarse passages in dit boek waar dit gebeurt. Bismarck vond veel van wat hij deed niet belangrijk om te verantwoorden. Aan wie had deze moderne autocraat ook zeggenschap moeten afleggen? De argumenten die van Aalst geeft zijn als volgt samen te vatten[28]:

  1. de Duitse publieke opinie eiste van het begin van de Frans-Duitse oorlog de annexatie van deze ‘oude Duitse’ gebieden[29];
  2. militair wegens de vele vestingsteden; daarom drong de legerleiding er sterk op aan;
  3. om de onderhandelingen met Zuid-Duitsland, vooral Beieren, over de toetreding tot het Duitse Keizerrijk in oprichting te bevorderen;
  4. het eeuwige conflict tussen Frankrijk en Duitsland was toch onvermijdelijk na de eenmaking van Duitstalig Europa. Dit argument nam van Aalst over van Clark, en is hierboven besproken.

Hierbij komt nog een economisch motief. Het stuk Lotharingen dat Duitsland annexeerde, bevatte alle gebieden met bruikbaar ijzererts. Frankrijk had in 1871 nauwelijks nog een eigen ijzer- en staalindustrie over. De streek van Briey met zijn nutteloos fosforhoudend ijzererts bleef bij Frankrijk.[30]

Laten we even terugkomen op het eerste argument, de Duitse publieke opinie die de annexatie eiste. Dat de autocraat Bismarck zich aan inspraak, ook van generaals, niet veel gelegen liet, is vaststaand. Met de publieke opinie lag het wel enigszins anders want hij gebruikte deze naar believen om zijn doelen te bereiken. In zijn streven om de normale democratische ontwikkeling in Duitstalig Europa tegen te houden, zelf terug te draaien, maakte hij handig gebruikt van de nationalistische emoties van de Duitsers. Bismarck lokte in de zomer van 1870 de Frans-Duitse oorlog uit om de toen al bestaande Noord-Duitse eenheid uit te breiden tot ook de Zuid-Duitse staten Hessen-Darmstadt, Baden, Württemberg en Beieren. Hij kon dan ook niet zomaar de door hem zelf aangewakkerde eisen van zijn beste bondgenoot, het nationalistische sentiment, negeren.

Het derde argument, dat een annexatie van Elzas-Lotharingen de opslorping van de Zuid-Duitse staten in het Duitse keizerrijk zou bevorderen, is door van Aalst nog voorwaardelijker dan de andere argumenten gegeven en bevat een verkeerde bronverwijzing[31]. Het geschiedkundige, het militair-strategische en het economische motief zijn algemeen aanvaard. Maar dit argument over de Zuid-Duitse staten is zeer eigen aan van Aalst. Volgens hem had Elzas-Lotharingen totaal geen belang voor Noord-Duitsland, Pruisen op kop, maar was het belangrijk voor Zuid-Duitsland. Ditzelfde argument heb ik ooit, zij het iets anders geformuleerd, gehoord tijdens een privé gesprek. Bij van Aalst heb ik hier nu voor het eerst een schriftelijk aanknopingspunt gevonden. Dit artikel biedt een enige gelegenheid om dit gesprek openbaar te maken.

In 1984 zat in een Izegems restaurant een vrij uitgebreid Vlaams-Duits gezelschap bijeen. Herr Braun, een zeer vooraanstaand werknemer van Süd-Chemie uit München, kwam voor zijn pensionering afscheid nemen van zijn contacten bij een lokaal voedingsbedrijf. Als 25-jarige mocht ik mee aanschuiven. Op de onvermijdelijke vraag wat Herr Braun met zijn vele vrije tijd zou doen, was het minder gebruikelijke antwoord ‘een boek schrijven dat keizer Wilhelm II zal rehabiliteren’. Herr Braun bleek een Eerste Wereldoorlog fanaat die al 7 keer de hele frontlijn van de Noordzee tot Zwitserland afgefietst had. Hij begon Wilhelm II vrij te pleiten van schuld aan de Eerste Wereldoorlog. Ik floepte eruit dat hij gelijk had, want dat het allemaal de schuld was van Bismarck, die teveel macht had gegeven aan een ‘pipo’ als Wilhelm II. Het gesprek viel onmiddellijk stil. Het blijft een raadsel dat ik toen niet met bord en bestek buiten gegooid ben. Het werd gelukkig een discussie tussen Herr Braun en mij. Hij was natuurlijk niet akkoord. Ik heb die middag ook geleerd dat Bismarck in Duitsland een monument boven de kritiek is. Maar Herr Braun uit Beieren heeft me toen toch enkele inzichten bijgebracht. Al Bismarcks acties waren finaal naar binnenlandse politieke doelen gericht. Zijn Duitse keizerrijk had als enig doel de verdere ontwikkeling van de parlementaire democratie tegen te houden. De annexatie van Elzas-Lotharingen, waarvan Herr Braun beaamde dat het voor zijn idool Wilhelm II een vergiftigd geschenk was, was enkel doorgevoerd om de Zuid-Duitse staten te binden. Enkel een blijvende vijandigheid van Frankrijk kon verhinderen dat de inwoners van Baden, Württemberg en Beieren vroeg of laat zouden ontdekken dat ze toch meer gemeen hadden met Frankrijk dan met Pruisen.[32]

Ik ga er dan ook nog altijd van uit dat Bismarck zelf de annexatie van Elzas-Lotharingen wilde en hij hierbij weinig aarzeling had. Zijn betrokkenheid bij de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog is ook in dit aspect groot. Het is eigen aan hoge bomen dat ze veel wind vangen.

[1] CLARK, Christopher, Slaapwandelaars, hoe Europa in 1914 ten oorlog trok, De Bezige Bij, Antwerpen, 2013, 749 blz.

[2] VAN AALST, Ger, Bismarck, Grondlegger van het verenigd Duitsland, Uitgeverij Aspect, Soesterberg, 2014, 469 blz.

[3] CLARK, p. 645

[4] CLARK, p. 428

[5] CLARK, p. 528-529

[6] CLARK, p. 488

[7] CLARK, p. 644-645

[8] CLARK, p. 601

[9] CLARK, p. 590

[10] CLARK, p. 481

[11] CLARK, p. 557

[12] CLARK, p. 349-372

[13] CLARK, p. 386

[14] CLARK, p. 394

[15] CLARK, p. 576

[16] De binnenlandse politieke organisatie van Oostenrijk-Hongarije is beschreven in hoofdstuk 2

[17] CLARK, p. 394

[18] CLARK, p. 632

[19] CLARK, p. 185-186

[20] bv CLARK, p. 392

[21] CLARK, p. 162

[22] CLARK p. 162

[23] CLARK, p. 531

[24] CLARK, p. 644

[25] Incident tussen lokale bevolking en een Duitse officier in oktober 1913 dat zich afspeelde in het Elzassische stadje Zabern, sinds 1918 terug Saverne, waaruit bleek dat de Elzas nog altijd een bezet gebied was, of de Elzassers minstens toch maar tweederangsburgers in het Duitse Rijk.

[26] VAN AALST, p. 293

[27] VAN AALST, p. 293

[28] VAN AALST, p. 293-294

[29] concreet omdat ze ooit hadden behoord tot het Heilig Roomse Rijk der Duitse Natie (net zoals Brussel, Amsterdam, Praag, Bern en Wenen.)

[30] Toch kent de geschiedenis soms een merkwaardige verloop. In 1877 ontdekte de Brit Sydney Gilchrist Thomas het naar hem genoemde procédé om ijzer te winnen uit fosforhoudend ijzererts. Frankrijk kon in het Frans gebleven stuk van Lotharingen rond Longwy, met het ijzererts van Briey, een ijzer- en staalproductie uitbouwen die snel de productiecapaciteit in het verloren gedeelte van Lotharingen overtrof.

[31] Van Aalst verwijst hiervoor in zijn noot 39 naar Christopher Clark, maar bij deze komt dit argument niet voor.

[32] Ik heb later nooit nog iets over Herr Braun vernomen. Ik heb niet kunnen achterhalen of hij ooit een boek over Wilhelm II heeft geschreven.

 

Deel op