80 % VLAAMSE GESNEUVELDEN AAN DE IJZER, MYTHE OF WERKELIJKHEID?

Na bijna 100 jaar blijft de discussie over het aandeel Vlamingen bij de gesneuvelden van het Belgische leger tijdens de Eerste Wereldoorlog onbeslist. In de recente SHRAPNEL, het tijdschrift van The Western Front Association België,  plaatste ik ook enkele kanttekeningen bij deze discussie.

 

Nogmaals de 80 % ?

In Shrapnel 2015/1 staat een artikel van Herman Verstraete met als titel: ‘Hoeveel Vlamingen in de eerste vuurlinie?‘ In de ondertitel volgt al het antwoord ‘Volgens Daniël Vanacker, Gent: tot 80 %‘. Dit magische percentage blijkt ook het standpunt van de auteur van dit artikel te zijn. Hij eindigt met de vraag opnieuw te stellen: ‘Was het een mythe, die 80%‘ en hierop als antwoord te geven: ‘Het is een mythe als men wil zeggen dat die 80% behoort tot de collectieve herinnering van de Vlaamsgezinden. Het was geen mythe in de realiteit. Het wàs realiteit.’ De laatste zin van het artikel, bij de bronnen, is het meest intrigerend: ‘Historicus Bruno De Wever, RUG, neemt deze cijfers aan, In zijn ‘Greep naar de macht’, Lannoo, Tielt, 1994′.

‘Greep naar de Macht‘ bij deze discussie betrekken is niet niets. Het is het belangrijkste boek in de geschiedenis van de Vlaamse Beweging sinds de eerste boeken waarin Lode Wils zijn aanvankelijk vaak omstreden thesen plaatste. Bruno De Wever behandelt de zwartste bladzijden, letterlijk en figuurlijk, van de Vlaamse geschiedenis. De wetenschappelijke maar boven alles frappant eerlijke benadering van de geschiedenis van het Vlaams–nationalisme tot 1945 maakt Bruno De Wever tot een autoriteit van de geschiedschrijving van de Vlaamse Beweging. Hoewel het vooral gaat over hoe het VNV tijdens de Tweede Wereldoorlog in de collaboratie verzeilde, schetst De Wever in zijn inleidend hoofdstuk een stuk eerdere geschiedenis van de Vlaamse Beweging. Het VNV past in het Vlaams-nationalisme, en dit Vlaams-nationalisme is tijdens de Eerste Wereldoorlog ontstaan, toen een gedeelte van de Vlaamse Beweging anti-Belgisch werd. In nauwelijks 12 bladzijden schetst hij activisme en Frontbeweging, de eerste twee anti-Belgische uitingen binnen de Vlaamse Beweging. In dit korte bestek beslecht De Wever bovendien nog enkele polemieken over het ontstaan van het activisme. Hoewel voorzichtig geformuleerd, De Wever weet als geen ander hoe delicaat deze zaken nu nog liggen, geeft hij Lode Wils vrijwel over de hele lijn gelijk.

Met een zelfde autoriteit behandelt hij de geschiedenis van de Frontbeweging. Herman Verstraete heeft dus een punt door naar De Wever te verwijzen om de discussie over de 80 % voor eens en altijd te beslechten. Op voorwaarde natuurlijk dat De Wever deze mening ook deelt. Daarom hier de volledige paragraaf uit ‘Greep naar de Macht’ die over het aandeel van de Vlaamse soldaten aan het Ijzerfront handelt[1]: ‘De mythe dat de Vlamingen 80% of zelf meer uitmaakten van het Belgische leger lijkt nu wel definitief ondergraven door recent onderzoek. Het cijfer, dat tijdens de oorlog ontstond, werd niet gecontesteerd tot F.E. Stevens in 1976 in een studie over het 9de Linieregiment tot een ophefmakende verhouding kwam van 55% Vlamingen, 35% Walen en 10% Brusselaars en tweetaligen. Dit onderzoek lokte een polemiek uit met gefundeerde kritiek op Stevens. Het oplossen van het dispuut was de inzet van de studie van Hans Keymeulen. Op basis van de lijsten met gesneuvelden die in het Staatsblad werden gepubliceerd, en na controle met diverse bronnen, kwam hij voor de hele oorlog tot een discrepantie van 9% tussen de percentages bevolking en gesneuvelden. Er was wel een verloop tijdens de oorlog. Wat de soldaten in de periode 1915-1918 betreft, klom het Vlaams meerpercentage gesneuvelden tot 15%. Er was dus wel een discrepantie, maar ze lag lager dan de 25% Vlaamse meergesneuvelden die een ‘80% mythe’ impliceert.’

Bij ongeveer 55 % Vlamingen, sluit De Wever zich aan bij een getal van mogelijk 70 % Vlaamse gesneuvelden. Waar Herman Verstraete in deze tekst een bevestiging van de 80% vindt, is onduidelijk. Ook 70 % is een onmiskenbare oververtegenwoordiging van de Vlaamse gesneuvelden. Er bestaan hiervoor verklaringen, die echter niet wegnemen dat deze oververtegenwoordiging van de Vlamingen in de eerste linies een schandaal was en blijft.

Bruno De Wever ondersteunt niet de thesis van Herman Verstaete dat de 80 % realiteit was. Maar wat zegt Daniël Vanacker, de grondigste onderzoeker van de Frontbeweging en de primaire bron van dit artikel? Zijn mening over dit cruciale discussiepunt in de Vlaamse geschiedschrijving is in de 478 bladzijden van zijn boek ‘De Frontbeweging’ niet echt prominent aanwezig. Het boek bevat wel een oneindige rij citaten van betrokkenen die allemaal 80 % en meer en zelf veel meer zeggen. De eigen mening van de auteur staat een beetje verborgen op bladzijde 63: ‘Hoewel het Belgische leger 75 tot 80 % Vlamingen telde, (…)‘ Aan deze stelling wijdt hij nog een eindnoot[2]: ‘Tijdens de Eerste Wereldoorlog nam nagenoeg iedereen aan dat 80 % van de Belgische soldaten (aan het front of in de voorlinie) Vlamingen waren (cfr. infra). Volgens historici moet dit getal lager liggen (KEYMEULEN & DE VOS 1988-’89). Ik betwijfel of de berekeningen van de historici beter zijn dan de schattingen van de tijdgenoten. Voor de politieke discussie tijdens de oorlog had het algemeen aanvaarde percentage uiteraard meer belang dan het reële cijfer.’ Tegen de laatste bedenking, de mythe een mythe laten, valt weinig in te brengen.

Maar Herman Verstraete wil in dit artikel uitdrukkelijk van de mythe een realiteit maken. Dus blijft de vraag, wie van deze twee eminente historici, die op basis van dezelfde wetenschappelijke onderzoeken tot tegenstrijdige resultaten komen, heeft hier gelijk? Vanacker vermeldt de conclusie van De Wever nergens in zijn boek. Er komt geen enkele verwijzing naar ‘Greep naar de Macht’ voor hoewel dit boek 6 jaar voor ‘De Frontbeweging’ is verschenen. Het antwoord is eenvoudig, en staat in de geciteerde voetnoot. Vanacker betwijfelt of ‘de historici’, waar ook Bruno De Wever bij kan gerekend worden, het beter weten dan de tijdgenoten toen. Het is de vraag of de door Vanacker overvloedig geciteerde individuele ooggetuigen, elk met hun ongetwijfeld correct detailbeeld, een juister globaal beeld konden vormen dan historici later. Ooggetuigen vermelden liever het uitzonderlijke dan het normale. Een bataljon, waarschijnlijk de grootste gevechtsformatie waarover een individu een enigszins juiste schatting van de samenstelling kon maken, met net de juiste nationale samenstelling (ca. 55 % Vlamingen) zal mogelijks door geen enkele ooggetuige opgemerkt zijn. Hieruit mag toch niet besloten worden dat zulk bataljon niet zou kunnen bestaan hebben. Ooggetuigen zijn altijd al een gevaarlijke bron voor geschiedschrijving geweest.

Enkele van de ooggetuigen die Vanacker vermeldt, de belangrijkste zijn door Verstraete overgenomen, zijn ook net iets te veel betrokken partij bij de toenmalige en latere discussies om overtuigend over te komen. Dit geldt bijvoorbeeld voor Joris Van Severen. Eerste minister de Broqueville, een uiterst geslepen politicus, als een bron aanhalen is nog gevaarlijker. De verdere glorie van het Franstalige katholicisme, ook in Vlaanderen, was belangrijker voor hem dan wetenschappelijke correctheid. Veel van de gegeven citaten zijn afgelegd in een context die ons nu ontgaat. Frans Van Cauwelaert schreef in zijn (toen nog) eigen krant ‘De Vlaamse Stem’ op 11 juli 1915 over ‘het bloedige, neen het hemeltergende onrecht dat onze Vlaamse jongens wordt aangedaan, wanneer zij in de dood worden gevoerd door officieren en onderofficieren welke hun taal niet verstaan’. Voor de oorlog, tijdens de parlementaire discussies over de opeenvolgende legerhervormingen, was Van Cauwelaert één van de pleitbezorgers om de Vlaamse katholieke intellectuelen uit het leger te houden. Mede omdat hij hierin succesvol was, ontbrak aan het begin van de oorlog een Vlaams kader van officieren en onderofficieren. Van Cauwelaert wist dit wel toen hij bovenstaand citaat neerpende. Ook zijn lezers wisten dit. Bij de enen zal dit zijn woorden nog versterkt hebben, bij anderen genuanceerd.

Misschien is de hele discussie over het aandeel Vlamingen in de frontlinies een onderwerp dat nooit meer kan beslecht worden. Al is het maar omdat het begrip ‘Vlaming’ toen nog niet echt duidelijk was. Met de taalwetgeving van 1932 werd ondubbelzinnig Nederlands de enige taal in Vlaanderen. De precieze afbakening van dat Vlaanderen zou zelf tot 1962 moeten wachten. Pas sinds 1932 gaat de wetgever ervan uit dat iedereen in Vlaanderen Nederlands spreekt, en er dus enkel Vlamingen wonen. Voordien was dat niet zo duidelijk. Wat bijvoorbeeld te denken van Roger d’Udekem d’Acoz, sous-lieutenant, 16è Régiment de Ligne, né à Gand le 8 Janvier 1894, mort pour la Belgique le 28 septembre 1918. (Begraven op de Belgische militaire begraafplaats te Houthulst.) In onze huidige visie is een Gentenaar een Vlaming. Mogelijks dacht Roger dit ook. Maar zou de Frontbeweging aan hem gedacht hebben toen ze in de ‘Open brief aan den Koning‘ het aandeel van 80% Vlamingen in de eerste linies genoemd hebben? Als hij het zelfde soort verheven Nederlands als zijn achterkozijn graaf Henri d’Udekem d’Acoz zou gesproken hebben, zou hij wel één van de zuiverst Nederlandssprekenden van die 80 % geweest zijn.

De 80 % was een mythe. Waarom houden we het niet zo?

 

[1] DE WEVER, Bruno, Greep naar de Macht, Lannoo, 1994, p. 28

[2] VANACKER, Daniël, De Frontbeweging, De Klaproos, 2014, eindnoot 115, p. 430

 

artikel van Johan Gheeraert verschenen in SHRAPNEL, periodiek van The Western Front Association, 2015, nr.3 (p. 62)

 

steen van merkem in crypte ijzertoren        De zogenaamde ‘steen van Merkem’ met de gekende leuze: “Hier ons bloed, wanneer ons recht?”. Deze steen bevindt zich nu in de crypte van de (oude) Ijzertoren.

Gaston Deweer (brancardier), Karel De Sutter (brancardier), Frans Strubbe, Richard Ide, Leo Van de Walle (sergeant), AimŽ Herman, Hubert Pelsers, een onbekende en Renaat De Rudder. 1916? (zie boek De Rudder, p. 164)
Foto van Vlaamse soldaten uit het Belgische leger op 11 juli 1917

 

Deel op